Een prachtige camera en lens, een prachtig landschap en waanzinnige lichtomstandigheden, maar eenmaal thuisgekomen een tegenvaller wegens onscherpe foto’s. Ik vertelde er al over in deel 1 van dit blog.

Er zijn nogal wat oorzaken. Sommige liggen erg voor de hand, andere zijn handigheidjes. Het hele rijtje bestaat uit:

  1. Geen schone lens
  2. Lage kwaliteit filter of teleconverter
  3. Gewijzigde beeldinstellingen
  4. Bewegingsonscherpte
  5. Hoge ISO
  6. Uiterste diafragma waarden
  7. Uiterste brandpuntsafstand
  8. Beeldveldwelving
  9. Autofocus mode
  10. Teveel scherpstelpunten
  11. Scherptediepte op de verkeerde plek
  12. Beeldstabilisatie bij gebruik van statief
  13. Scherpstellen op te weinig helderheid en contrast
  14. Front- of backfocus
  15. Calibratie / reparatie nodig

Hieronder de volgende 5 oorzaken van onscherpe foto’s. Valkuilen waar ik zelf met open ogen ingetuind ben, maar waar ik ook regelmatig mijn cursisten mee zie worstelen. Een gewaarschuwd mens telt voor twee…

 

6. Uiterste diafragma waarden

Het gekozen diafragma kan veel invloed hebben op de verschillende beeldfouten van een lens. Beeldfouten, waaronder onscherpte, zijn duidelijker aanwezig wanneer je fotografeert met het grootste of het kleinste diafragma.

Iedere lens is anders

Objectieven met een groot zoombereik (zoals een superzoom van 18-200mm) hebben meer last van beeldfouten, zelfs de duurdere modellen van de bekende merken. Dit komt doordat er meerdere glaselementen nodig zijn om een groter zoombereik mogelijk te maken en ieder glaselementen beeldfouten met zich meebrengt. In de meeste gevallen is de kwaliteit hoger en haal je meer uit een camera wanneer je gebruik maakt van objectieven met een kleiner zoombereik, of beter nog, helemaal geen zoombereik.

Onscherpe foto’s door een te groot diafragma

Sommige objectieven zijn niet in staat om scherpe foto’s te maken op het grootste diafragma. Door het diafragma 1 á 2 stops dicht te knijpen, zullen beeldfouten minder storend zijn, of verdwijnen. Dit wordt downstoppen genoemd. Bij de meeste objectieven zul je geen last hebben van onscherpe foto’s wanneer je fotografeert met een diafragma waarde tussen de f/5.6 en f/11.

Onscherpe foto’s door een te klein diafragma

Fotograferen met kleinste diafragma zal in alle gevallen zorgen voor verlies aan scherpte in de fijnste details. Dit heeft te maken met diffractie dat vanaf f/11 zal optreden. Vanaf f/16 kan diffractie duidelijker zichtbaar worden, wat een oorzaak kan zijn van onscherpe foto’s. De volgende foto’s zijn gemaakt met de zeer populaire 14-24mm groothoeklens van Nikon vanwege zijn prestaties. Ondanks de huidige prijs van € 2049,- is het nadelige effect van diffractie bij deze lens duidelijk zichtbaar:

Plaats de muis op de foto om het effect van diffractie te zien

 

Fotograferen met een zeer klein diafragma is verder alleen nodig wanneer je wilt fotograferen met een lagere sluitertijd voor een creatief effect. In dat geval kun je beter gebruik maken van een goed grijsfilter (ND), of meerdere foto’s combineren in Photoshop middels lagen en maskers. Mocht je in een extreme gevallen toch een kleiner diafragma nodig hebben om de scherptediepte te vergroten, wees er dan van bewust dat dit kan leiden tot onscherpte over het hele beeld. Voor dit probleem kun je gebruik maken van Focus Stacking, een methode waarbij je in de nabewerking de scherptediepte van meerdere foto’s kunt combineren tot 1 haarscherpe foto.

Vlekken op de camera sensor

Uiteraard is diffractie bij enkele objectieven minder storend, maar naast diffractie zal vuil en stof op de beeldsensor duidelijk zichtbaar worden. Een foto maken van de lucht op f/22 is daarom een goede manier om te zien of het tijd wordt voor het reinigen van de beeldsensor. Maak je niet druk om een paar vlekjes. Dit is vrij gebruikelijk en vaak pas zichtbaar vanaf f/8. De sensor reinigen is pas echt nodig wanneer je er last van hebt.

Extreem geval van vlekken op de beeldsensor op f/22

Extreem geval van een vuile beeldsensor op f/22

 

De voordelen van een prime lens

Een prime lens heeft minder last van beeldfouten. Prime’s hebben geen zoombereik (maar een vast brandpunt), dus zijn er veel minder glaselementen nodig om een prime te maken. Naast een betere kwaliteit zijn de productiekosten daardoor ook lager, dus is de prijs-kwaliteitsverhouding een groot voordeel!

Plastic fantastic

De “plastic fantastic” is een goed voorbeeld hiervan. Vaak hebben deze objectieven een brandpuntsafstand van 50mm (of 35mm) met een maximaal diafragma van f/1.8. De kwaliteit is op op f/1.8 nog niet optimaal, maar downstoppen zal de kwaliteit snel verbeteren (meestal vanaf f/2.8). Zo heb je voor relatief kleine investering geweldige kwaliteit in een compacte en lichtsterke lens, waarmee je leuk kunt experimenteren met een kleine scherptediepte. Ideaal voor detail foto’s en portretten! In- en uitzoomen doe je met je voeten, dus je blijft ook nog eens lekker in beweging!

7. Uiterste brandpuntsafstand

Net als bij de uiterste diafragma waarden, zijn beeldfouten duidelijker aanwezig bij de uiterste brandpuntsafstanden, waarbij onscherpe foto’s vaak ontstaan wanneer je volledig inzoomt met een lens. Omdat een prime maar 1 brandpuntsafstand heeft, geldt deze oorzaak alleen voor de objectieven met een (groot) zoombereik.

Dan maar de foto uitzoomen

Een beetje uitzoomen vanaf de uiterste brandpuntsafstand van een zoomlens, kan in veel gevallen al een scherpere foto opleveren. Een klein tikje terug is soms al genoeg. Gebruik bijvoorbeeld met een 18-200mm niet de uiterste brandpuntsafstand van 200mm, maar draai deze terug tot 175mm, 150mm, of zelfs 135mm (afhankelijk van de lens). Een beetje uitzoomen is vaak maar een klein verschil in beeldhoek, maar een groot verschil in scherpte. Bij oudere lenzen kan het wel nog voorkomen dat je alleen maar scherpe foto’s kunt maken in de eerste helft van het gehele zoombereik.

Liever een groot, of een klein zoombereik?

Hoe vervelend kwaliteitsverlies vanwege een groot zoombereik is in de praktijk, is per fotograaf verschillend. Je levert wat kwaliteit in voor een groter zoombereik en een hoop gemak. Zelf heb ik mijn Nikon 24-70mm f/2.8 verkocht om over te stappen naar de minder populaire Nikon 24-120mm f/4. Ik wilde graag een lens waar ik op vakantie meer aan had. Veel fotografen om mij heen verklaarde mij voor gek, maar uiteraard daar trok ik mij lachend niks van aan.

Ik deed dit natuurlijk niet zonder enig onderzoek. De 24-120mm heeft duidelijk meer last van beeldfouten zoals vervorming en vignettering, maar dat is snel verholpen in de nabewerking. Verder merk ik weinig tot geen verschil in scherpte met de vorige lens wanneer ik hem gebruik tot een brandpuntsafstand van 70mm. Verder inzoomen tot een brandpuntsafstand van 85-120mm geeft minder scherpe resultaten, maar dat neem ik voor lief voor de kiekjes tussendoor, of wanneer een haarscherpe foto minder belangrijk is… want die zijn er tenslotte ook!

Samenvattend over onscherpe foto’s door uiterste diafragma en/of brandpuntsafstand

Het is een groot voordeel wanneer je weet wat de mogelijkheden zijn van jouw objectief. Door te weten hoe jouw objectief presteert bij de verschillende waarden, kun je bewust gebruik maken van het diafragma en de brandpuntsafstand om het maximale uit je camera te halen, of accepteren dat je voor bepaalde foto’s een lagere kwaliteit voor lief neemt.

Benieuwd naar de mogelijkheden van jouw objectief? Er zijn genoeg site’s te vinden met uitgebreide reviews. Ondanks enkele kleine verschillen in de test resultaten, kun je zo een hoop te weten komen over verschillende objectieven. Laat je alleen niet teveel sturen door persoonlijke meningen op een forum, want dan kom je er nooit meer uit:

 

8. Beeldveldwelving

Beeldveldwelving ontstaat door de bolle vorm van een lens. Door deze vorm is het niet altijd mogelijk om een onderwerp (op gelijke afstand) over het hele beeld af te beelden met dezelfde scherpte.

De meeste scherpte van een lens bevindt zich altijd in het midden. Rond het midden begint de scherpte af te nemen en de uiterste hoeken zijn vaak duidelijk minder scherp dan de rest van het beeld. Beeldveldwelving is vooral zichtbaar wanneer je fotografeert met een groot diafragma, dus ook bij deze beeldfout is downstoppen een efffectieve oplossing.

Hele afbeelding

Hele afbeelding

Midden onderin

Midden onderin

Uiterste hoek

Uiterste hoek

 

Geen probleem bij een mooie bokeh

De vorige 2 oorzaken (uiterste diafragma en brandpuntsafstand) hebben daarom meer invloed op de randen en hoeken van het beeld, dan op het midden. Bij foto’s met een mooie bokeh door een kleine scherptediepte (zoals bij macro, details, wild, portretten, etc..), zul je minder last hebben van onscherpte door beeldveldwelving.

Beter een grote lens op een kleine sensor

Wanneer je een Full-Frame objectief gebruikt op een camera met een APS-C sensor dan heb je minder last van beeldveldwelving (en andere beeldfouten), dan wanneer je deze gebruikt op een Full-Frame camera. Dit komt doordat je met de kleinere APS-C sensor niet de totale oppervlakte van een lens gebruikt. De uiterste hoeken vallen buiten het beeld, dus je gebruikt het betere deel in het midden van de lens.

 

De randen van een Full Frame lens zijn niet nodig om de kleinere APS-C sensor te dekken.

De randen van een Full-Frame lens zijn niet nodig om de kleinere APS-C sensor te dekken

9. Autofocus mode

De Autofocus mode zorgt ervoor dat er automatisch wordt scherp gesteld op een het geselecteerde scherpstelpunt, gericht op een object of persoon dat je wil gaan fotograferen. De instellingen van autofocus zijn soms erg uitgebreid en lastig te begrijpen. Daarom kiezen velen ervoor om alles automatisch te laten bepalen door de camera. Lekker makkelijk toch?

Gemakkelijk is het zeker, maar de camera kan niet altijd precies weten wat jij wilt. Alles fotograferen op de automatische stand is daarom een veel voorkomende oorzaak van onscherpe foto’s. Om het eenvoudig te houden kun je beginnen met het kiezen van de juiste autofocus mode, waarmee veel onscherpe foto’s voorkomen kunnen worden.

Hoe gebruik je de Autofocus wél goed?

Het kiezen van de juiste autofocus mode is gemakkelijker dan je denkt. Bepaal of je een bewegend, of een stilstaand onderwerp wilt fotograferen. Moet te doen zijn toch?

  • Stilstaand onderwerp; AF-S (of ONE-SHOT op Canon). 
Wanneer je de ontspanknop voor de helft indrukt stelt de camera scherp op het gekozen scherpstelpunt. Zolang je de ontspanknop blijft vasthouden, zal de focus niet meer wijzigen. Je kunt nu eventueel een andere compositie maken zonder dat de camera weer op een ander punt zal scherpstellen. Deze mode is ideaal voor bijvoorbeeld het fotograferen van landschappen, waarbij de ideale scherpstelafstand vaak buiten het scherpstelgebied van de zoeker ligt. Druk de ontspanknop helemaal in om de foto te maken.
  • Bewegend onderwerp; AF-C (of AI-SERVO op Canon).
 Wanneer je ontspanknop voor de helft indrukt stelt de camera scherp op het gekozen scherpstelpunt. Zolang je de ontspanknop blijft vasthouden, zal de camera blijven scherpstellen op het gekozen scherpstelpunt in de zoeker. Je kunt nu een onderwerp volgen, maar ook in- of uitzoomen. Deze mode is ideaal voor bijvoorbeeld het fotograferen van wilde dieren, waarbij er continu moet worden scherp gesteld om deze scherp af te beelden. Druk de ontspanknop verder in om de foto te maken.
  • Vergeet de automatische mode; AF-A (of AI-FOCUS op Canon)
. In deze mode zal de camera een keuze maken tussen de 2 bovenstaande modi, waarbij een verkeerde keuze kan zorgen voor vertragingen en onscherpe foto’s. Zelf weet je het beste wat je wilt fotograferen, dus probeer ook deze controle te houden.

10. Teveel scherpstelpunten

Top zo’n camera met honderdduizend scherpstelpunten… maar hoe meer keuze de camera heeft, hoe groter de kans is dat er wordt scherp gesteld op het verkeerde punt. Het is daarom beter om dit zelf in de hand te hebben. Bovendien is er van al die scherpstelpunten maar 1 de allerbeste… en dat is de middelste!

Focuspunten en kruissensoren

Camera’s hebben de mogelijkheid om een enkel scherpstelpunt te verplaatsen in de zoeker. Dit kan goed werken, maar dit kan ten koste gaan van de nauwkeurigheid van het autofocus systeem. Onder alle scherpstelpunten bevinden zich namelijk een aantal kruissensoren (cross-type sensors). Scherpstellen gebeurt op basis van het aanwezige contrast in een beeld. Kruissensoren scannen horizontaal en verticaal om contrast te detecteren en zijn daarom nauwkeuriger dan de gewone scherpstelpunten die alleen een horizontale scan maken.

De overige sensoren kunnen natuurlijk goed helpen om snel bewegende onderwerpen te volgen, zoals vliegende vogels. Luxe camera’s hebben vaak meerdere kruissensoren. Deze bevinden zich soms in het midden en soms verdeeld over het beeld. Er zijn ook camera’s die gebruik maken van slechts 1 kruissensor… inderdaad, de middelste!

Toch kun je prima fotograferen met 1 kruissensor. Voor landschappen heb je aan 1 kruissensor meer dan genoeg en wanneer je een vogel wilt volgen kun je altijd zorgen dat je minstens gebruik maakt van de middelste kruissensor.

Het bovenstaande geldt alleen voor scherpstellen door de zoeker. Scherpstellen via het LCD scherm (Live-View) werkt op een andere manier. Deze is veel trager, maar wel nauwkeuriger, en kan over het hele beeld gebruikt worden.

Waren lenzen maar plat…

Naast het bovenstaande kan de bolle vorm van een lens door beeldveldwelving voor een kleine afwijking zorgen. Gebruik je een scherpstelpunt in de hoek, dan kan deze afwijking invloed hebben wanneer je fotografeert met een zeer kleine scherptediepte.

Samenvatting

Hopelijk zijn deze oorzaken een mooie aanvulling op de 5 oorzaken uit deel 1. Laat gerust een berichtje achter voor vragen of opmerkingen, ik lees je reactie graag!

Lees hier het 3e deel voor de laatste 5 oorzaken…

Share This

Share this on Facebook

Share this post with your friends!